De stem van de natuur
Hoogheemraadschap De Stichtse RijnlandenWat betekent het als we de natuur als stakeholder aan tafel zetten binnen complexe projecten? Waar lopen we dan tegenaan en wat is belangrijk binnen zo’n traject? Booster Eveline Rog ondervindt op dit moment dagelijks wat het betekent om de stem van de natuur te vertegenwoordigen. Voor het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is ze omgevingsmanager binnen het Groot Onderhoudsprogramma Baggeren, waarbij ecologie een groot gedeelte van haar werkzaamheden behelst. “Dit is echt een héle andere kant van stakeholdermanagement.”
Over het project
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) is bezig met een Groot Onderhoudsprogramma Baggeren. Een doorlopend programma om circa 1.400 kilometer aan hoofdwatergangen in de provincies Utrecht en Zuid-Holland op diepte te houden. Voor dit programma is Dutch Boosting Group is gevraagd om de functie van omgevingsmanager binnen het IPM-team (Integraal Projectmanagement) in te vullen. Eveline Rog werkt hierbij vanuit Dutch Boosting Group samen met een team van HDSR. De projecten binnen het programme bevinden zich in verschillende fases: van voorbereiding tot aanbesteding en uitvoering.
Waar ben jij als omgevingsmanager binnen dit project zoal mee bezig?
“Ik zet onderzoeken uit, maak analyses, stel contracten op en vraag vergunningen aan. Dat doe ik vooral rondom ecologie. Daarnaast zoek ik, samen met mijn collega’s, vanuit het hoogheemraadschap de samenwerking op met provincies, gemeentes en natuurorganisaties zoals Staatsbosbeheer. Net als wij, hebben zij voor bepaalde watergangen óók de opgave om te baggeren, en het is natuurlijk veel efficiënter als we dat gezamenlijk doen. Op die manier beperken we de overlast aanzienlijk.”
Je zegt dat je vooral met ecologie bezigt bent. Wat houdt dat concreet in?
“Binnen dit project hebben we te maken met twee ecologische aspecten. Het eerste aspect bestaat eruit dat we in de watergang zelf onderzoek moeten doen naar beschermde soorten. Het gaat dan om zowel flora als fauna. Gelukkig is er sinds april 2025 de ‘Gedragscode bestendig beheer en onderhoud’ van de Unie van Waterschappen. Als we werken binnen die gedragscode, dan hebben we geen vergunning nodig. In die gedragscode is de habitatbenadering opgenomen. Dit is een vorm van ecologisch beheer, waarbij onder andere de richtlijn geldt dat je 25% van de oevers en waterbodem spaart. Het idee hierachter is dat je daarmee een significant gedeelte van de oever en waterbodem intact laat, zodat de natuur zich kan herstellen na het baggeren. Die habitatbenadering biedt dus goede handvatten, maar tegelijkertijd is deze nog vrij nieuw, dus we moeten er ook nog veel aan ontdekken.”
En wat is het tweede aspect?
“Dat is de ecologie rondom zogenaamde weilanddepots. Een weilanddepot hebben we nodig om te kunnen baggeren met een zuigboot. In overleg met de eigenaar van het weiland, zetten we een weiland af om hier een depot van te maken. We maken een rand om het perceel van ongeveer 1,50 meter hoog, waardoor je een soort bakje krijgt. Dat bakje is bedoeld om de bagger in te pompen die we opruimen in de watergang. Dat doen we dus met een bootje; het gaat heel rustig en veroorzaakt dan ook weinig overlast. Daarom heeft deze baggermethode onze voorkeur. Maar aan zo’n weilanddepot zijn uiteraard ook allerlei ecologische regels verbonden: we mogen niet zomaar een hoop bagger gooien op een stuk weiland. Ook daar moeten we eerst onderzoeken wat dat doet met de flora en fauna die er leven. Daarbij hebben we geen gedragscode: we moeten alle regelgeving zelf bij elkaar sprokkelen. Zo hebben we veel nader onderzoek moeten doen voor de haas, die wel een beschermde diersoort is in de provincie Utrecht, maar niet in Zuid-Holland. In het ene weiland gelden dus andere regels dan in het andere, binnen hetzelfde project. Dat is best ingewikkeld. En we moeten dus veel onderzoek doen naar al die soorten, waarbij we ook nauw samenwerken met de provincie. Dat heeft veel impact op de projecten, die daarmee soms vertraging oplopen.”
Soms moeten we een klein beetje tegen gevestigde ordes aan schoppen.
“Dat komt ook doordat de regelgeving in sommige gevallen nog niet is aangepast aan de praktijk. Dan is er bijvoorbeeld wél duidelijke regelgeving voor de uil, maar niet voor de haas. Daarover moet ik dan in gesprek met de provincie. Ook zijn er onderzoeksbureaus bij betrokken, die gespecialiseerd zijn in ecologie. Ik laveer daartussen, dat is mijn taak. Iedereen heeft kennis van zijn eigen stukje, ik breng het allemaal samen. Daarbij kan het zijn dat een aannemer denkt “ik wil gewoon baggeren”, maar dat ik het toch allemaal uit moet stellen. Je begrijpt wel dat die vertraging soms weerstand oproept bij betrokkenen.”
Is dat je grootste uitdaging: het laveren tussen die partijen?
“Ja, dat denk ik wel. Er zijn nu eenmaal eisen en randvoorwaarden vanuit ecologie, en daar kunnen we niet zomaar van afwijken. Ook als dat botst met andere belangen. Het duurt soms lang om het allemaal uit te zoeken, en daarná gaan we nog het hele vergunningentraject in…”
Hoe ga je daar dan mee om?
“Het belangrijkste is om uit te blijven leggen. In gesprek blijven en samenwerking blijven zoeken met het bevoegd gezag om regels op te helderen. Wat willen zij lezen om die vergunning af te kunnen geven? Dit is echt een héle andere kant van stakeholdermanagement dan ik tot nu toe uitgevoerd heb. De natuur als stakeholder is nog niet echt een ingeburgerd concept, maar het is wel waar we naartoe moeten. Soms betekent dat dat we een klein beetje tegen gevestigde ordes aan moeten schoppen.”
Dat klinkt als een interessant project…
“Ja, dat is het ook. Het zijn 20 projecten en ze zijn allemaal heel verschillend. Sommige projecten zijn heel groot, sommige veel kleiner, soms gaat het over meerdere watergangen… Tussen de voorbereiding en de uitvoering van het baggeren zit gemiddeld twee tot drie jaar. Dat hele proces is leuk om mee te maken. Bovendien wist ik toen ik begon eigenlijk heel weinig van ons watersysteem en van baggeren. Dat leer ik nu allemaal! Het is daarnaast interessant om te zien dat je allemaal afhankelijk van elkaar bent. Ik bedoel: technisch gezien is baggeren vrij simpel. Maar door de ecologische situatie en alle voorwaarden waar je dan rekening mee moet houden, wordt het toch heel ingewikkeld.”
“Het leukste vind ik, om de samenwerking met alle stakeholders te blijven zoeken. Zoals ik net al aangaf, is dat lang niet altijd gemakkelijk; er zijn echt botsende belangen, maar juist dat maakt het vaak ook leuk. En je moet de wegen en mensen leren kennen; waar moet ik zijn en bij wie? Wie beslist over welk onderwerp? Dat begint nu eindelijk een beetje te lukken, dus dat is mooi. Daarnaast leer ik enorm veel over de verschillende plant- en diersoorten die hier in Nederland leven. Ik voel me soms een halve ecologe, haha. Ik vind het ook fijn om maatschappelijk impact te maken door de stem van de natuur te vormen.”
Juist botsende belangen maken dit werk vaak leuk.
Kun je wat meer vertellen over die impact die je maakt?
“Ja, dat werkt meerdere kanten op. Binnen dit project zelf werken we met respect voor de flora en fauna. Daarnaast zijn we dus een nieuwe werkwijze aan het ontwikkelen: één waarbij de natuur een duidelijke stem heeft aan tafel. Dat is soms echt pionieren, maar het moet gemeengoed worden, want dit is waar we samen naartoe willen werken bij eigenlijk alle grote projecten in Nederland. We kunnen hiermee een voorbeeld scheppen voor volgende projecten, dus ook op die manier maken we een duidelijke impact.”
Hoe neem je de visie van Dutch Boosting Group mee binnen je werkzaamheden?
“Als omgevingsmanager is het essentieel dat je kijkt met een integrale blik. Je brengt immers alles samen in je rol. Die systemische blik zit in alles wat ik doe. Bovendien heb ik direct te maken met allerlei systemen. Flora en fauna vormen een systeem. Waterbeheer is een systeem. Soms conflicteren die systemen met elkaar, maar door vanuit meerdere perspectieven en met een holistische blik naar zo’n uitdaging te kijken, kun je verder komen.”
